Capaciteiten versus vermogen: wat is het?
Twee atleten kunnen exact dezelfde wedstrijdtijd of hetzelfde drempelvermogen behalen en toch een volledig ander fysiologisch profiel hebben. De ene beschikt misschien over een bijzonder grote aerobe motor, maar produceert ook veel lactaat. De andere heeft een kleinere aerobe motor, maar kan zeer efficiënt en economisch presteren.
Om te begrijpen waarom deze atleten niet hetzelfde moeten trainen, is het belangrijk om het verschil te kennen tussen capaciteit en vermogen.
Wat is capaciteit?
Capaciteit beschrijft hoe sterk een energiesysteem maximaal ontwikkeld is. Je kunt het vergelijken met de grootte van een motor of batterij: hoe groter de capaciteit, hoe meer mogelijkheden het systeem heeft om energie te leveren.
Aerobe capaciteit
De aerobe capaciteit bepaalt hoeveel energie het lichaam maximaal met behulp van zuurstof kan produceren. De VO₂max is hiervan een belangrijke maatstaf.
Een goed ontwikkeld aeroob systeem helpt een atleet om:
langdurig energie te produceren;
koolhydraten en vetten efficiënt te gebruiken;
sneller te herstellen tussen intensieve inspanningen;
lactaat sneller te verwerken;
een grotere trainingsomvang aan te kunnen.
Een hoge aerobe capaciteit is daarom niet alleen belangrijk voor marathonlopers, wielrenners en triatleten. Ook sprinters hebben een voldoende ontwikkeld aeroob systeem nodig om tussen intensieve inspanningen te herstellen en kwalitatief te kunnen trainen.
Anaerobe capaciteit De anaerobe capaciteit beschrijft hoeveel energie het lichaam zonder rechtstreekse tussenkomst van zuurstof kan produceren. Binnen de trainingsfilosofie van Jan Olbrecht wordt daarbij vooral gekeken naar de glycolytische capaciteit: het vermogen van het lichaam om snel energie uit koolhydraten vrij te maken, waarbij onder andere lactaat ontstaat.
Een hoge anaerobe capaciteit kan voordelig zijn bij:
korte, explosieve inspanningen;
versnellingen en demarrages;
een krachtige eindsprint;
inspanningen ruim boven de drempel;
het snel ontwikkelen van een hoog vermogen.
Maar een hoge anaerobe capaciteit heeft ook een keerzijde. Een atleet die bij een bepaalde intensiteit veel anaerobe energie produceert, verbruikt doorgaans sneller koolhydraten en produceert meer lactaat. Daardoor kan het moeilijker worden om een hoge intensiteit langdurig vol te houden.
Wat is vermogen?
Vermogen beschrijft hoe goed de atleet die capaciteit tijdens een concrete inspanning kan inzetten.
Een atleet kan dus over een grote motor beschikken, maar die motor nog niet optimaal gebruiken op wedstrijdtempo. Omgekeerd kan iemand met een iets kleinere motor een groot percentage daarvan langdurig benutten.
Een eenvoudige vergelijking:
Capaciteit is de grootte van de motor. Vermogen bepaalt hoeveel van die motor je op het juiste moment kunt gebruiken.
Vermogen is veel specifieker dan capaciteit. Het hangt onder andere af van:
de duur van de inspanning;
de wedstrijdintensiteit;
de sportdiscipline;
de techniek en efficiëntie;
de verhouding tussen aerobe en anaerobe energielevering;
de vermoeidheidsweerstand van de atleet.
Aerobe en anaerobe vermogensontwikkeling
Aeroob vermogen
Aeroob vermogen beschrijft hoe goed een atleet zijn aerobe capaciteit kan benutten tijdens een specifieke inspanning.
Een wielrenner kan bijvoorbeeld een hoge VO₂max hebben, maar toch moeite hebben om een groot percentage daarvan gedurende langere tijd vol te houden. Door wedstrijdspecifieke trainingen kan hij leren om zijn aerobe motor efficiënter te gebruiken bij het vermogen dat tijdens een wedstrijd nodig is.
Voorbeelden van trainingen gericht op het aerobe vermogen zijn:
langere intervallen rond de wedstrijdintensiteit;
tempoblokken;
drempeltrainingen;
wedstrijdspecifieke fiets- of looptrainingen;
langere zwemreeksen aan een doeltempo.
Anaeroob vermogen
Anaeroob vermogen beschrijft hoe snel en doelgericht de anaerobe capaciteit tijdens een inspanning kan worden ingezet.
Dat is bijvoorbeeld belangrijk bij een zwemsprint, een demarrage op de fiets, een steile beklimming of een eindsprint tijdens het lopen. Trainingen voor het anaerobe vermogen zijn meestal kort, intensief en afgestemd op de eisen van de wedstrijd.
Een grote anaerobe capaciteit betekent echter niet automatisch dat een atleet gedurende de volledige wedstrijd beter zal presteren. Bij een duursporter kan een te sterk glycolytisch profiel er zelfs voor zorgen dat het lichaam bij submaximale inspanningen sneller koolhydraten verbruikt en meer lactaat produceert.
De energiesystemen werken altijd samen
Het aerobe en anaerobe systeem functioneren niet als twee afzonderlijke schakelaars. Bij vrijwel iedere inspanning leveren beide systemen tegelijkertijd energie. Alleen hun relatieve bijdrage verandert.
Die bijdrage wordt voornamelijk bepaald door:
de intensiteit;
de duur van de inspanning;
de duur van het herstel;
het individuele profiel van de atleet.
Zelfs tijdens een korte sprint levert het aerobe systeem een bijdrage. Tijdens een lange duurwedstrijd blijft het anaerobe systeem eveneens actief, bijvoorbeeld bij een versnelling, beklimming of eindsprint.
Daarom is het te eenvoudig om een training uitsluitend als “aeroob” of “anaeroob” te beschouwen.
Twee atleten met dezelfde drempel zijn niet noodzakelijk dezelfde atleten
Stel dat twee wielrenners allebei een drempelvermogen van 300 watt hebben.
Atleet A heeft een hoge VO₂max, maar ook een hoge glycolytische capaciteit. Hij beschikt over een grote aerobe motor, maar produceert bij hogere vermogens relatief snel veel lactaat.
Atleet B heeft een iets lagere VO₂max, maar ook een lagere glycolytische capaciteit. Hij produceert minder snel lactaat en kan daardoor mogelijk een groter percentage van zijn aerobe capaciteit langdurig benutten.
Hoewel hun drempelvermogen identiek is, kunnen hun sterke punten sterk verschillen:
Atleet A kan mogelijk beter versnellen en sprinten.
Atleet B kan mogelijk constanter presteren tijdens lange inspanningen.
Atleet A verbruikt mogelijk sneller zijn koolhydraatvoorraad.
Atleet B is mogelijk efficiënter op een gelijkmatig tempo.
Het zou daarom niet logisch zijn om beide atleten exact hetzelfde trainingsprogramma te geven.
Waarom is dit verschil belangrijk voor training?
Een training moet niet alleen worden gekozen op basis van het vermogen of tempo dat een atleet momenteel haalt. De trainer moet eerst bepalen welke fysiologische eigenschap ontwikkeld moet worden.
Capaciteitstraining is vooral gericht op het vergroten of veranderen van de motor. Die aanpassingen vragen tijd en worden meestal over een langere trainingsperiode opgebouwd.
Vermogenstraining leert de atleet vervolgens om die capaciteit doelgericht in te zetten tijdens de wedstrijd. Deze trainingen worden meestal specifieker naarmate een belangrijke wedstrijd dichterbij komt.
Dat betekent ook dat een atleet tijdens een capaciteitsgerichte trainingsperiode tijdelijk minder scherp kan aanvoelen. De onderliggende motor wordt ontwikkeld, maar is nog niet volledig omgezet in wedstrijdspecifieke prestaties. Een tijdelijke daling van snelheid of explosiviteit betekent daarom niet automatisch dat de training niet werkt.
Van testen naar individuele begeleiding
Een klassieke testwaarde zoals FTP, drempeltempo of VO₂max vertelt slechts een deel van het verhaal. Om training echt te individualiseren, kijken we ook naar:
de aerobe en anaerobe capaciteiten;
de lactaatproductie en -verwerking;
het herstel tussen inspanningen;
het verloop van vermogen of tempo tijdens de test;
de technische efficiëntie;
de specifieke eisen van de wedstrijd.
Zo kunnen we bepalen of een atleet vooral zijn motor moet vergroten, zijn bestaande capaciteiten beter moet leren benutten of een bepaalde capaciteit juist onder controle moet houden.
Conclusie
Capaciteit en vermogen zijn nauw met elkaar verbonden, maar betekenen niet hetzelfde.
Capaciteit bepaalt de mogelijkheden van de motor. Vermogen bepaalt hoe goed die mogelijkheden tijdens een specifieke inspanning worden benut.
Daarom kunnen twee atleten met dezelfde wedstrijdprestatie toch een volledig andere trainingsaanpak nodig hebben. Goede coaching kijkt niet alleen naar wat een atleet vandaag presteert, maar vooral naar waar die prestatie fysiologisch vandaan komt.
Bij PTS Leuven gebruiken we trainingsdata, lactaattesten en praktijkobservaties om het individuele profiel van iedere atleet beter te begrijpen. Zo trainen we niet alleen harder, maar vooral doelgerichter.